Overzicht Archeologisch Onderzoek Valkenswaard

De eerste archeologische onderzoeken binnen de gemeente van Valkenswaard spelen zich af in 1864. Onder leiding van de gepensioneerde schoolmeester te Westerhoven Petrus Norbertus Panken worden tijdens de sloop van een afgebrand huis twee penningen gevonden. Panken ging opzoek in de Kempen naar sporen uit het verleden en zo ontdekte hij in 1878 de eerste twee lijkurnen op heide bij Geenhoven, de eerste prehistorische vondsten in Valkenswaard. In 1886 bezoekt Panken opnieuw de Geenhovense heide en meldt daar de ontdekking van diverse Germaanse urnen. Tijdens deze zoektocht komt het toaal aantal lijkurnen op een 50-tal. Dit is het moment waarop de interesse van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden wordt gewekt. Panken legde zijn bevinden vast in zijn dagboeken vol met aantekeningen. In 1897 noteert hij zijn laatste aantekening betreffende Valkenswaard met de vondst van fundamenten van een huis en een stenenpot met 74 zilveren munten gedateerd op het jaar 1600.

Het Rijksmuseum voor oudheden heeft een grote collectie van archeologische vondsten uit onze gemeente. Klik hier om de collectie online te raadplegen.
Bron: Valkenswaard Vroeger en Van Wedert tot Valkenswaard

“ Dezer dagen is men alhier begonnen met urnen op te delven. De heeren J. de Louw, en H. W. Mollen, hebben thans drie prachtige urnen gevonden. Zij gaan door met het zoeken. Ook zijn er naar men verneemt door H. van Ham en P. Scheerens uit Luiksgestel 5 urnen gevonden.”
Bron: Meierijsche Courant, Woensdag 13 Juni 1906.

“Onze heeren urnenzoekers, H. W. Mollen en J. de Louw, hebben veel succes. Thans hebben ze weer twee prachtige exemplaren opgedolven, waarin beenderen en stukken ijzer die wel van pijlen afkomstig schenen. Ook een ring. Woensdag avond heeft men nog drie urnen opgedolven, maar die zijn nog niet onderzocht. De heeren gaan steeds voort met hun zeer belangrijken arbeid, die ongetwijfeld veel nut zal afwerpen voor de geschiedkundige wetenschap. Wij wenschen hun verder het beste succes.”
Meierijsche Courant, Donderdag 21 Juni 1906.

Opgravingen te Valkenswaard. De heer M. A. Evelein, assistent bij het Rijks Museum van Oudheden te Leiden, schrijft den 21 dezer: In den laatsten tijd werden in het Z. deel van N. Brabant voortdurend een menigte urnen gevonden, waarin een bevolking, die omstreeks Ch. geb. daar moet hebben geleefd, een deel der resten verzamelde van de door hen verbrande dooden. Tot nog toe had men zich echter alleen bepaald bij het uitgraven der enkele urnen, zonder een onderzoek te doen naar de wijze hoe men eenmaal bij het in den grond plaatsen der urnen te werk was gegaan. Door de directie nu van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden werd mij opgedragen een dusdanig onderzoek in te stellen te Valkenswaard, waarvan de resultaten de volgende zijn. Gevonden werden een 12tal urnen van het Gallo Germaansche en Proto Saksische type, welke in den grond bleken te zijn ingegraven en met een laagje zand te zijn overdekt. Naast enkele urnen werd bovendien een dichte massa beentjes gevonden, die, zooals aangenomen wordt, van den brandstapel bijeengerakeld in een doek werden verzameld. Na het terrein over een grootere breedte van de humuslaag te hebben ontdaan, bleken 4 der gevonden urnen te liggen tusschen twee evenwijdig gegraven greppels, die aan beide einden met een bocht aan elkaar aansloten. Het zoodoende aan alle zijden afgescheiden terrein dat 16.70 M. lang, en 5.5 M. breed is, bleek echter slechts een eerste aanleg van het urnenveld te zijn geweest. Buiten een der bochten toch, waarover wij zooeven spraken, bleken de beide lengtegreppels evenwijdig aan elkaar te zijn doorgetrokken, tusschen welke in de overige urnen zich bevonden. Hoever deze tweede aanleg zich heeft uitgestrekt, kon niet meer worden nagegaan, daar een later aangelegde weg, dwars door het urnenveld heen, een verder onderzoek niet mogelijk maakte. Niet onwaarschijnlijk is het echter, dat op dezen tweeden aanleg nog een of meerdere zijn gevolgd. Nog 34 M. verder over den genoemden weg zijn reeds eertijds urnen gevonden, en dat wel in het verlengde van het ontgraven urnenveld. Eindelijk werd bezijden het beging van ons urnenveld een niet nader te volgen oud voetpad gevonden, waarlangs wellicht eenmaal de dooden naar de plaats hunner bestemming werden gebracht.
Meierijsche Courant, Zaterdag 22 Augustus 1908.
Tags:

0 reacties

Leave a Reply